Wys my de plaats waar ik gezaaid heb!
„My lust de driften der hervormde kerkelingen,Met Hollandsch watersnood en dykbreuke op te zingenEn af te malen tot een errefdenktafreel,Dat zelfs de naneef schrikke op ’t hooren van ’t krakeel,En ’t zien der landschets, door een nachtstorm overrompeld,En tomlinks over hals en hoofd in zee gedompeld,Zoo niet een zelve wind en springvloed myn gedichtVerrast, en voert het op hun vlerken uit ’t gezicht,Of komt my ’t onverhoeds of onvoltooit ontrukken.”
Doch wat al straffen, wat aan God verdiende plagen,Heeft vader Nederland hierom niet moeten dragen!Wat oorlogsstormen, wat al sterfte en hongersnood,Dykbreuken, watervloên…
Daar barsten ylings al Gods stormrioelen open,En dringen ’t water voor haar geesel op te loopen;Dat zet op dyk en dam zyn forsche hoornen aan,Dat ramt met stoot op stoot…’t is met den dyk gedaan.
Daar helpt geen tegenweêr, als die niet komt van boven,De zee met vollen loop ter dykbresse ingeschovenRukt in zyn weg omverre al wat hem gaat te keer,En zet het lage land in blanke en bare meer,Neemt boomgaart, bunders, vee en menschen op zyn tanden,En lekt en knabbelt aan den boord der groene stranden;Wat huis, wat hof is nu uw voetzool hoog genoeg,Nu ’t aardryk u ontzinkt…
„Hoort gy dien toon vol schrikbre klem,Die ’t angstig dal vervult?Het is des stortvloeds wilde stem,Die in de bergkloof brult.De wolk, die zy een rustplaats bood,Ontlastte er zich den zwangren schootEn voedde ’t stroomgeweld;En onweerstaanbaar in zyn vaart,Komt het, gelyk een hollend paardDe klippen afgesneld!Hy komt, de zwarte waterval,Wiens magt de rotsen slaat te mortel,En boomen afrukt van hun wortel,En met ver klinkend krygsgeschalEen meir vormt in het siddrend dal!